Door onze redacteuren Rob Schoof en Jos Verlaan
'Enschede' is pas vijf jaar geleden, maar de wereld is sindsdien totaal veranderd. Toen moest de meldkamer nog telefonisch vragen waar een ambulance zich bevond, waar hij naartoe ging, of er iemand in lag, of hij naar Enschede kon komen, hoe lang de aanrijtijd zou zijn, of de ziekenhuizen nog capaciteit hadden. ,,Allemaal telefoontjes van een halve minuut'', zegt Raymond van Mourik, hoofd van het landelijk bureau GHOR Nederland, de Geneeskundige Hulp bij Ongevallen en Rampen. Er werden notities gemaakt, gefaxt, gebeld. ,,Veel processen, met kans op communicatiefouten.''
Als er morgen op het station van Utrecht een zware aanslag is, met veel doden en honderden gewonden, dan komt via alarmnummer 112, waar alle 25 meldkamers in Nederland aan zijn verbonden, de eerste melding binnen. Die meldkamers hebben een computersysteem waarop precies staat waar elke ambulance zich bevindt. Als blijkt dat er veel ambulances nodig zijn, wordt via de computer gekeken welke ambulances in de buurt zijn, of zij een patiënt aan boord hebben en hoe snel zij naar Utrecht kunnen. Ambulances krijgen automatisch een alarmering.
Als een ambulance niet direct kan worden vrijgemaakt, zoekt de computer zelf naar de volgende.
,,Bij een aanslag kun je letterlijk met één druk op de knop ervoor zorgen dat de helft van alle ambulances wordt vrijgemaakt'', zegt William de Vrij, voorzitter van de commissie 'Opschaling' van de Raad van Regionaal Geneeskundig Functionarissen, die bij een ramp de leiding hebben over de geneeskundige hulpverlening.
De geneeskundige hulpverlening, waaronder de ambulancediensten en de ziekenhuizen, heeft de afgelopen jaren een heel flatgebouw aan automatiseringssystemen geconstrueerd. Sommige zijn al klaar, andere bijna, of nog niet overal ingevoerd, zoals het communicatiesysteem C2000.
Automatisch worden een aantal 'loodsposten' in de stad geselecteerd waar ambulances naartoe moeten, zodat zij eventueel onder politiebegeleiding langs een afgezette weg naar de plek van de ramp kunnen. Op de piekuren zijn in Nederland circa 435 ziekenauto's bemand. Het systeem is er zelfs op bedacht dat regio's met veel weggeroepen ambulances, aanvulling krijgen van ambulances uit nog verder gelegen regio's. Bij de vuurwerkramp gingen er zo veel ambulances naar Enschede dat in andere regio's gaten vielen. Het nieuwe systeem voorkomt dat.
Bij de eerste melding die in de meldkamer binnenkomt, gaat er direct een 'voorwaarschuwing' naar ziekenhuizen in de omgeving. Artsen kunnen dan beginnen met het leegmaken van bedden - patienten met minder ernstige aandoeningen moeten dan wijken voor mensen die acute hulp nodig hebben. Van Mourik: ,,Dat bepaalt uiteindelijk de arts: je kunt niet de stekker eruit trekken bij mensen die aan de beademing liggen.''
In november wordt een geautomatiseerd systeem voor 'gewondenspreiding' in gebruik genomen. Aan de hand van het type letsel, de afstand tot het ziekenhuis en de beschikbare capaciteiten kan de computer vanaf 1 september bepalen in welk ziekenhuis een gewonde het best terecht kan. De Vrij: ,,Nu gebeurt dat telefonisch, onderweg naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Als het ziekenhuis vol is moet de ambulance nu nog doorrijden naar het volgende. Dat moet beter.''
Een aanslag zoals die op de metro in Londen of Madrid, met honderden gewonden, lijkt voor de hulpverlening in een klein land al gauw te groot. De Vrij kan niet in het algemeen zeggen hoeveel gewonden Nederlandse ambulances en ziekenhuizen aankunnen. ,,Dat hangt af van de aard van de verwondingen, het tijdstip, de grootte van de ramp. Maar je kunt niet alles aan. Er zijn grenzen, ook per regio. In Rotterdam zul je eerder een grote gifwolk hebben dan in Lelystad. In Volendam bleek dat we onvoldoende brandwondencapaciteit hadden.'' Bij de vuurwerkramp, waar 948 mensen gewond raakten, bleek achteraf dat veel ambulances die naar Enschede waren gekomen, niet waren gebruikt.
De Vrij: ,,Lang niet iedereen hoeft met een ambulance mee. Bij rampen kun je ervan uitgaan dat de lichtgewonden zichzelf redden, en hulp krijgen van familie en omstanders.''
Er bestaat nog altijd grote kritiek op de uitwisseling van informatie tussen politie, brandweer, bestuur en geneeskundige hulpverlening. Afgelopen voorjaar concludeerde de Adviescommissie Coördinatie ICT Rampenbestrijding (ACIR) onder leiding van Loek Hermans nog dat de informatievoorziening ,,onvoldoende op orde'' is. De burger, constateerden de betrokkenen uit de hulpverlening, leeft ,,in een zeepbel van veiligheid''. Een grootschalig incident ,,kan die zeepbel uiteen doen spatten''.
Om maar eens een voorbeeld te noemen, zoals de betrokken hulpverleners deden: ,,Als er gebeld wordt met 112 met het verzoek om inzet van meerdere hulpverleningsdiensten, betekent dit niet dat alle noodzakelijke diensten ook snel zullen reageren.''
Een ander ontnuchterende constatering: hulpverleners en hun instanties hebben geen idee ,,wat er wanneer en op welke wijze per spoor en over de weg wordt vervoerd, en wat er aan ondergrondse leidingen en pijpleidingen ligt''.
Een voorbeeld van wat nog niet is geregeld: een ambulance arriveert op de plaats van een ongeluk; hoewel de hulpverleners het kenteken van het voertuig kennen, kunnen zij de identiteit van de gewonden niet vaststellen. Als zij die identiteit wél hebben, krijgen zij geen inzage in het medische dossier van de betrokkene. Dat kan grote gevolgen hebben voor de behandeling, dodelijke zelfs, bijvoorbeeld als niet bekend is dat het slachtoffer diabetes heeft.
De commissie-Hermans constateerde nog meer: in de praktijk blijkt dat bestuurders tijdens een grootschalig incident vaak naar de lokale of landelijke televisie kijken, omdat daar meer informatie wordt getoond dan via de normale lijn. ,,Hier baseren zij dus een deel van hun beslissingen op'', terwijl de media geen directe toegang tot het incidentterrein hebben en dus over onvolledige of onjuiste informatie beschikken.
Eén van de oorzaken van al die onvolkomenheden in de communicatie is volgens de adviescommissie dat de rampenbestrijding ,,onvoldoende prioriteit'' heeft bij de overheid, en dus te weinig aandacht en fi- nanciën krijgt.
Verder constateerde de commissie dat er een ,,voortdurende competitie'' is tussen gemeenten, provincies, het ministerie van Binnenlandse Zaken, tussen ministeries onderling en tussen hulpverleners. Zelfs binnen een meldkamer wisselen de operationele diensten nauwelijks informatie uit, constateerde de commissie.
Daarnaast blijkt er sprake te zijn van 'eilandautomatisering' tussen de vier disciplines in de hulpverlening: bestuur, politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening hebben elk hun eigen computersystemen, waardoor informatie niet kán worden uitgewisseld. Dit probleem speelt zelfs binnen de politiekorpsen al jaren.
Minister Remkes (Binnenlandse Zaken, VVD) erkent de problemen en heeft inmiddels een 'task force' ingesteld om verbeteringen te realiseren.
Ook in de ziekenhuizen liggen nog voldoende 'uitdagingen'. Dat bleek vorig jaar, toen de Inspectie voor de Volksgezondheid constateerde dat tal van ziekenhuizen hun rampenopvangplannen niet op orde hadden. Daar is sindsdien veel meer aandacht voor, maar geld om te oefenen is er nauwelijks. Die kritiek, dat er geen geld is voor grootschalige oefeningen door hulpverleners, stamt al uit de tijd van het onderzoek naar de brand in Volendam.
Van Mourik: ,,Er is structureel twintig miljoen euro per jaar nodig voor rampenoefeningen in de regio's. Dat is er nog niet.'' Minister Hoogervorst (Volksgezondheid, VVD) heeft onlangs wel geld toegezegd, maar kon niet zeggen hoeveel.
En hoe belangrijk oefenen op rampen is bleek in het voorjaar bij de oefening Bonfi- re in de Amsterdam Arena, waar tal van communicatiestoornissen tussen de diensten aan het licht kwamen.
Dit het eerste deel van een tweeluik over rampenbestrijding.
Het tweede deel verschijnt morgen.
(Bron: NRC/Handelsblad, 29 juli 2005, www.nrc.nl)